november 18, 2020
Atlas voor Gemeenten (Sport): Amsterdam kent minste aanbod van georganiseerde sport

Uit het jaarlijkse onderzoek van ‘Atlas voor gemeenten’ blijkt uit de editie van 2020, welke specifiek over Sport gaat, dat van de 50 grootste gemeenten Amsterdam het minste aanbod van georganiseerde sport kent. Vooral het aantal voetbalvelden, maneges en atletiekbanen is klein. Opvallend is dan weer dat Zuidoost een behoorlijk aanbod van sportaccommodaties kent (sportpark De Toekomst niet meegerekend). Met acht voetbalvelden (een enkel kunstgrasveld), 1,5 atletiekbaan, ½ hockeyveld, twee sporthallen, drie Cruyff Courts, een Richard Krajicek Playground, meerdere Contrainers en zeker drie maneges doet Zuidoost een sportieve duit in het zakje.

Volgens de ‘Atlas voor gemeenten’ kent Amersfoort de meeste aantal sportieve bewoners. Bijzondere vaststelling in de atlas is dat alleen investeren in het sportaanbod niet tot meer sportdeelname leidt. Daarnaast attentie voor de beperking tijdens de corona-crisis van de verenigingsport. Aanbeveling is dat sporten fysiek en mentaal nodig is in deze tijd.

Onderstaand een weergave vanuit het dagblad Trouw.

Bron: Trouw 18 november 2020 (Esther Scholten).

Sport staat meer dan ooit in de maatschappelijke belangstelling, nu corona ons er pijnlijk aan herinnert hoe belangrijk een fit lichaam voor de weerstand is. Zo bezien is de themakeuze van de jaarlijkse Atlas voor gemeenten een gelukkige. Voor het eerst is het sportaanbod in de vijftig grootste gemeenten van Nederland in kaart gebracht, net als de sportdeelname.

De politiek beschouwt sport al langer als preventief middel tegen stijgende zorgkosten en gezondheidsproblemen als obesitas. Dat was de reden waarom de onderzoekers ver voor de pandemie dit thema kozen. Hoewel de corona-effecten op de sportbeoefening niet zijn meegenomen, is het onderzoek relevant omdat juist de gemeenten het merendeel van de publieke uitgaven aan sport voor hun rekening nemen: 90 procent van de grofweg 1,3 miljard euro per jaar – goed voor gemiddeld 1,6 procent van de gemeentelijke begroting.

Welke gemeenten slagen erin hun inwoners in beweging te krijgen? Samen met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen is er een rekenmodel gemaakt, waarbij het aantal inwoners wordt meegewogen. Zowel het sporten in verenigingsverband als individueel sporten (hardlopen, fietsen en fitness) is onderzocht.

“De Atlas biedt nieuwe inzichten voor de beleidsbepalers. Het is heel belangrijk dat zij de waarde gaan inzien van sportfaciliteiten. Bezuinig daar niet meer op, omdat bijvoorbeeld de zorgkosten voor ouderen oplopen. Op de korte termijn begrijp ik die afweging. Maar voor de lange termijn is het belangrijk om aan de basis van gezondheid te werken, en dat is sport.”

Wat zijn de belangrijkste uitkomsten?

Opvallend is dat gemeenten met veel aanbod van sportaccommodaties niet per se de meest sportieve inwoners hebben. “De samenhang tussen sportaanbod en -deelname is minder sterk dan je zou verwachten”, zegt onderzoeker Sandra Muilwijk. Bijvoorbeeld Emmen en Venlo hebben veel aanbod, maar behoren niet tot de meest sportieve gemeenten. Omgekeerd hebben sommige sportieve steden als Amersfoort en Utrecht juist relatief weinig aanbod. Mede daardoor hebben de vijf samengestelde ranglijsten allemaal een andere koploper: Amstelveen heeft qua georganiseerde sport het meeste aanbod, Arnhem qua ongeorganiseerde sport, Haarlemmermeer scoort het hoogst op deelname aan georganiseerde sport en de inwoners van Nijmegen zijn het actiefst in ongeorganiseerde sporten. Ook de hekkensluiters verschillen: respectievelijk Amsterdam, Schiedam, Heerlen en Emmen. Verder is het interessant om te zien hoe de sportdeelname verschilt. In het oosten van Nederland wordt relatief veel gesport in verenigingsverband, vooral voetbal, terwijl in delen van de Randstad en Brabant hockey, tennis en fitness populairder zijn.

Amersfoort is dé sportstad van Nederland. Waarom?

Bij de rangschikking van beste sportgemeente hebben de onderzoekers enkel naar de sportdeelname van inwoners gekeken. “Omdat dat ook is wat gemeenten nastreven met hun beleid en wat uiteindelijk effect heeft op de gezondheid”, legt Muilwijk uit. Daardoor is Amersfoort de winnaar, een stad met een hoge deelname aan sport en tegelijkertijd een lage score wat betreft het aanbieden van faciliteiten. Wat Amersfoort onderscheidt van de andere twee steden uit de top drie is dat haar inwoners zowel actief zijn in ongeorganiseerd verband als in verenigingssporten. Utrecht scoort enkel hoog op deelname aan ongeorganiseerde sport en Breda op de georganiseerde varianten. Opvallend aan de onderkant is dat gemeenten als Heerlen en Schiedam overall laag scoren op deelname. “Bekend was dat bepaalde bevolkingsgroepen minder sportief zijn. Wij tonen voor het eerst dat er wat dat betreft geen verschil is tussen georganiseerd of ongeorganiseerd sporten. Die samenhang zie je steeds.”

Wat hebben de slecht scorende gemeenten gemeen?

“Ons onderzoek laat zien dat voor sportdeelname de sociaal-economische context binnen een gemeente bepalender is dan het sportaanbod”, verklaart sporteconoom Willem de Boer. “Emmen bijvoorbeeld heeft veel faciliteiten, maar in de relatief arme stad sporten verhoudingsgewijs weinig mensen.”

Eerdere onderzoeken hebben de invloed van sociaal-economische factoren als lage inkomens ook al aangetoond. “Je kunt dus concluderen dat er nog steeds weinig verbetering in zit. Je ziet er ook nog steeds geen duidelijk beleid op bij gemeenten, en op dat niveau wordt het meeste geld aan sport uitgegeven.” Onbegrijpelijk vindt De Boer. “Los van de gezondheidswinst is sporten, zeker in verenigingsverband, belangrijk omdat je daardoor in aanraking komt met mensen van buiten je eigen bubbel. Bovendien leer je er veel van over winnen en verliezen. Je bouwt ook mentale weerstand op. Als we als maatschappij sportdeelname belangrijk vinden – voor welvaart, welzijn en gezondheid – moet het Rijk misschien een meer sturende rol nemen. De verschillen zijn nu zo groot tussen de gemeenten, blijkt uit dit onderzoek.”

Welke lessen vallen er te trekken?

“Alleen investeren in het sportaanbod leidt niet per se tot meer sportdeelname, weten we nu”, aldus Muilwijk. Dat is saillant. “Op dit moment heeft een groot deel van de gemeentelijke uitgaven betrekking op het sportaanbod. Slechts een klein deel is gericht op het stimuleren van sportbeoefening.”

De Boer vult aan: “Het antwoord op een lage sportparticipatie zit niet in meer hallen bouwen of velden aanleggen. Nee, gemeenten moeten zich afvragen hoe ze specifieke groepen kunnen stimuleren om aan sport te gaan doen. Dat is de uitdaging. Wij hopen dat de Atlas daarbij kan inspireren. Van de vier grote steden doet Utrecht het bijvoorbeeld goed. Dan moet je je als Amsterdam, Rotterdam of Den Haag toch afvragen: hoe dan? Voor een deel ligt de verklaring misschien in de bevolkingssamenstelling, maar richt je als gemeentebestuurder vooral op de onderlinge verschillen in beleid. Ga kijken: wat doen zij?”